Ventilatiebalans

Met behulp van het Duco ventilatieprogramma kunt u ventilatiebalans berekeningen op woningniveau opstellen. Dit betekent dat de totale hoeveelheid lucht die de woning instroomt gelijk is aan de hoeveelheid lucht die in de woning wordt afgezogen. In alle ruimten wordt tegelijkertijd de minimale ventilatiehoeveelheid gerealiseerd.

Vanuit het Bouwbesluit is een ventilatiebalans op verblijfsgebiedniveau ook toegestaan. Bij een ventilatiebalans op verblijfsgebiedniveau is de luchtstroom het verblijfsgebied in gelijk aan de hoeveelheid lucht die in het verblijfsgebied wordt afgezogen. De verblijfsgebieden onderling zijn niet met elkaar in balans. Bij een dergelijke berekening worden de minimale ventilatiehoeveelheden per ruimte niet tegelijkertijd gerealiseerd.

Voor een goed functionerend ventilatiesysteem is een ontwerp met een balans op woningniveau noodzakelijk. Derhalve ondersteunt het Duco ventilatieprogramma alleen een ventilatiebalans op woningniveau.

Voor woningen die worden verkocht onder GIW garantie, wordt geadviseerd te voldoen aan de GIW/ISSO publicatie ‘Ontwerp- en montageadviezen; nieuwbouw eengezinswoningen en appartementen; 2008’. Indien de balans moet voldoen aan de GIW/ISSO adviezen wordt rekening gehouden met de volgende aanvullende maatregelen:

  • een opstelplaats voor een wasautomaat en/of wasdroger met een oppervlakte van < 2,5 m² wordt geventileerd met 7 dm³/s.
  • een opstelplaats voor een wasautomaat en/of wasdroger met een oppervlakte van ≥ 2,5 m² wordt geventileerd met 14 dm³/s.
  • een berging (niet zijnde trap- of inbouwkast) wordt geventileerd met 7 dm³/s.
  • bij het bepalen van de ventilatiedebieten wordt de krijtstreepmethode niet toegepast.
  • bij het bepalen van het aantal afzuigventielen per ruimte wordt een maximaal debiet van 21,0 dm³/s (75 m³/h) per ventiel aangehouden (=aanbeveling).
  • voor het overstromen van lucht naar aangrenzende vertrekken zijn kieren onder de deuren noodzakelijk van 3,5 cm. Hierbij is rekening gehouden met 1,5 cm
    vloerafwerking (resultaat is een kier van 2 cm). Een kier van 2 cm heeft een maximale overstroomcapaciteit van 14 dm³/s. Indien meer lucht dient over te stromen
    wordt aanvullend een DucoDoor 460 of 750 rooster in de deur opgenomen. Deze heeft een maximale ventilatiecapaciteit van 12,8 respectievelijk 21,8 dm³/s
    waardoor de totale overstroomcapaciteit op maximaal 35,8 dm³/s komt. Let erop dat toepassing van DucoDoor roosters de akoestische prestatie van een deur
    (i.v.m. de -20 dB(A) eis) reduceert.

Zie voor overige GIW adviezen waaraan het ventilatiesysteem moet voldoen het kopje 'overige GIW eisen inzake ventilatie'.

Afzuigkappen

Motorgedreven afzuigkappen

GIW beveelt aan om motorgedreven afzuigkappen toe te passen die rechtstreeks naar buiten afvoeren (of bij appartementengebouwen op een centraal afvoerkanaal). Bij het toepassen van een afzuigkap met een capaciteit van 83 dm³/s (300 m³/h) of meer dient een extra (afsluitbare) luchttoevoeropening gerealiseerd te worden (b.v. klepraampje).

Motorloze afzuigkappen

Het is niet toegestaan motorgedreven afzuigkappen aan te sluiten op het mechanische afzuigsysteem. Afgeraden wordt om afzuigkappen zonder motor hierop aan te sluiten omdat het systeem onnodig vervuilt en de capaciteit over het algemeen onvoldoende is. Motorloze afzuigkappen mogen op het ventilatiesysteem worden aangesloten onder de volgende voorwaarden:

  • de capaciteit van de afzuigkap dient ten minste 34,7 dm³/s (125 m³/h) te bedragen.
  • de capaciteit van de afzuigkap en het afzuigventiel(en) dienen te voldoen aan de Bouwbesluit eisen voor verblijfsruimten met opstelplaats kooktoestel.
  • indien de afzuigkap afsluitbaar is, dient de vereiste hoeveelheid afgezogen lucht, bij gesloten afzuigkap, gerealiseerd te worden door de aanwezige afzuigpunten in de keuken.
  • afzuigkappen dienen voorzien te zijn van filters met klasse EU2 of een z.g. labyrintfilter.

Voor een optimale werking van een motorloze afzuigkap kan gebruik gemaakt worden van een HR-wasemkap voor centrale ventilatie.

Ventilatiesysteem

Een gebruiker kan kiezen uit een viertal ventilatiesystemen. Hieronder worden de 4 systemen kort toegelicht. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van Duco:

natuurlijke toevoer met standaard Duco roosters (niet zelfregelend) en mechanische afzuiging

Dit systeem is het traditionele systeem C uit NEN 1087. De lucht wordt toegevoerd via standaard ventilatieroosters in de gevel. Vervolgens stroom de lucht via overstroomopeningen in de binnenwanden naar keuken, toilet en badruimte waar de lucht met behulp van een kanalensysteem en ventilator wordt afgezogen.

natuurlijke toevoer met zelfregelende Duco roosters en mechanische afzuiging

Dit systeem is gelijk aan het hierboven beschreven systeem met uitzondering van de toevoerroosters. De toevoerroosters in de gevel worden namelijk zelfregelend uitgevoerd. Door de zelfregelende klep heeft het rooster een constante doorlaat waardoor het comfort toeneemt (minder snel tocht) en het energieverbruik daalt (minder toevoer van koude buitenlucht).

Duco C System

Het Duco C system is gebaseerd op het hiervoor omschreven systeem C met zelfregelende roosters. Als aanvulling wordt gebruik gemaakt van een centrale mechanische luchtafvoer via de afzuigunit met gelijkstroomventilator welke bedienbaar is in vier standen, waaronder een “niet thuis” stand. Naast het op de vertrouwde manier ventileren wordt er met het Duco C system ook luchtdicht gebouwd volgens de SBR details en toepassing van knevelend hang- en sluitwerk.

Duco DucoTronic System CO2

Het DucoTronic System CO2 is een Vraaggestuurd Natuurlijk Ventilatiesysteem ‘VNV’ met gecontroleerde, natuurlijke luchttoevoer via de ventilatieroosters en centrale, mechanische luchtafvoer via de afvoerventilator. Het systeem zorgt voor een permanent evenwicht tussen luchttoevoer en -afvoer. Het stemt de ventilatie af op de mate van luchtverontreiniging. Een sensor meet behalve de ruimtetemperatuur ook de CO2, een uitstekende graadmeter voor de luchtkwaliteit. Door een efficiëntere ventilatie wordt er minder lucht toegevoerd en hoeft er minder lucht te worden opgewarmd. Bovendien verplaatst de gelijkstroomventilator minder lucht waardoor hij minder energie verbruikt.

Overige GIW adviezen inzake ventilatie

Regelbaarheid

Het ventilatiesysteem dient in minimaal 3 standen regelbaar te zijn. In ieder geval dient op de hoogste stand te worden voldaan aan de gestelde eisen. Op de laagstand dient ten minste 10% van de capaciteit volgens het Bouwbesluit geventileerd te worden. Op de standenschakelaar is een 0-stand niet toegestaan.

De ventilatievoorziening dient op een aparte, duidelijk gemarkeerde, elektra groep te zijn aangesloten om deze op eenvoudige wijze, bij calamiteiten, uit te kunnen schakelen. Andere oplossingen dan een aparte groep, b.v. een schakelaar in de meterkast, zijn ook mogelijk, mits e.e.a. voor de gebruiker duidelijk herkenbaar is.

Er wordt geadviseerd op de middenstand te voldoen aan de capaciteitseisen volgens het Bouwbesluit. Aanbevolen wordt om in beide ventilatiegevoelige ruimten (keuken en badkamer) een standschakelaar t.b.v. de ventilatie aan te brengen.

Instroom- en afvoeropeningen

Ten aanzien van de afstand tussen rioolontluchting en enige luchttoevoeropening wordt verwezen naar NEN 3215 en de daarbij behorende NTR 3216.

Houdt bij het ontwerp rekening met de plaatsbepalingen van uitmondingen van rookgasafvoeren, ventilatie en ontspanningsleidingen. Hierdoor kunnen klachten over stankoverlast op balkons en in woningen voorkomen worden. In verband hiermee dient rekening gehouden te worden met de eis dat de rioolontluchtingen ten minste 6 meter van enige instroomopening t.b.v. ventilatielucht moeten zijn aangebracht. Daarbij is het verstandig ook rekening te houden met uitmondingen op aangrenzende percelen.

Kanaalontwerp/roosters

Van het ontworpen kanalensysteem dient een drukverliesberekening gemaakt te worden. Het drukverlies mag bij een debiet van 62,5 dm³/s maximaal 100 Pa bedragen.

Maximale luchtsnelheden zijn:

  • collectieve kanalen: 5 m/s
  • hoofdkanalen: 4 m/s
  • aftakking: 3,5 m/s

De ventilator moet over een opvoerhoogte beschikken van de berekende drukverlies van het systeem + 10%.
Bij boven elkaar gelegen keuken en badkamer, afzuigkanalen gescheiden uitvoeren, tenzij de ingestorte horizontale aftakking naar de badkamer langer is dan 0,5 meter.
Bij appartementen met centrale afvoerkanalen in de aftakking voor afvoer terugslapkleppen monteren.Lekfactor van maximaal 0,003 x 10-3 bij een testdruk van 1000 Pa (klasse C).Kanalen zodanig aanleggen dat deze schoongemaakt kunnen worden (dus alleen gestroomlijde gladde bochten en T-stukken toepassen). Afzuigroosters dienen i.v.m. de mogelijkheid van metingen ten minste 5 cm van wand of plafond geplaatst te zijn.

Systeemmogelijkheden

De koper dient er in de gebruikershandleiding op gewezen te worden dat er rekening is gehouden met een vloerafwerking van 15 mm en dat bij dikkere
vloerafwerkingen de deuren ingekort dienen te worden.
Indien in de woning een open haard of gaskachel wordt aangebracht dient het schoorsteenkanaal voorzien te worden van een rookgasventilator en afsluitbaar te zijn. Verder dient een afsluitbare luchttoevoer in de nabijheid van de open haard te worden aangebracht.

Afzuigunits

Een afzuigunit mag niet in een verblijfsruimte geplaats te worden.
Een afzuigunit dient gemonteerd te worden op een steenachtige constructie met een massa van minimaal 200 kg/m²

Luchtzijdige inregeling

Afzuiginstallaties dienen ingeregeld te worden.
Het meetrapport dient aan de koper te worden verstrekt.
De afwijking tussen de ontwerp volumestroom en de gemeten waarde mag niet meer bedragen dan 5%.
Bij identieke woningen in projectmatige bouw (> 10) kan volstaan worden met steekproefsgewijze controlemetingen van de uitgevoerde inregeling.
De afvoerventielen borgen (indien dit niet mogelijk is de instelling op het ventiel aangeven) en de plaats van montage op het ventiel vermelden.